Belastingen voor VZW's en Stichtingen
Op basis van artikel 220 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB), zijn de verenigingen en stichtingen a priori onderworpen aan rechtspersonenbelasting (RPB). Deze regeling belet echter niet dat in bepaalde specifieke gevallen hun statuut kan geherkwalificeerd worden en zij aan de vennootschapsbelasting (VenB) kunnen onderworpen worden. Artikel 184quinquies van het WIB geeft voortaan een kader aan de overgang van RPB naar VenB en bepaalt dat volgende voorwaarden gelden voor deze overgang:
- Worden beschouwd als gestort kapitaal: het deel van het kapitaal, van de uitgiftepremies en van de bedragen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen, of van de andere inbrengen in geld of in natura, die voorafgaand werkelijk werden gestort en waarvoor geen enkele terugbetaling of vermindering gebeurde gedurende de boekjaren die afgesloten werden vóór de overgang naar VenB;
- Alle voorheen gereserveerde winsten en voorzieningen voor risico’s en kosten die geboekt werden vóór het boekjaar van de overgang naar VenB, worden beschouwd als reeds belaste reserves;
- De herwaarderingsmeerwaarden en kapitaalsubsidies die geboekt werden vóór het boekjaar van de overgang naar VenB, worden enkel vrijgesteld indien zij geboekt blijven op één of meerdere afzonderlijke rekeningen van het passief en niet tot basis dienen voor bezoldigingen of toekenningen;
- De kosten die de rechtspersoon werkelijk draagt terwijl zij aan de VenB onderworpen is en die tot voorzieningen voor risico’s en kosten hebben geleid gedurende een aanslagjaar waarvoor de rechtspersoon aan RPB onderworpen was, zijn aftrekbaar als beroepskosten voor het aanslagjaar gedurende hetwelke zij werkelijk worden gedragen, voor zover aan de voorwaarden van artikel 49 van het WIB wordt voldaan;
- De definitieve verliezen die gemaakt werden na de overgang naar VenB en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een waardevermindering die geboekt werd vóór de overgang, kunnen als beroepskosten afgetrokken worden voor het aanslagjaar gedurende hetwelke zij werden gedragen;
- De afschrijvingen, min- of meerwaarden die in aanmerking moeten genomen worden voor de rechtspersoon, worden bepaald alsof de rechtspersoon altijd al aan VenB onderworpen is geweest;
- De verliezen die werden geleden door de rechtspersoon vóór de overgang naar VenB, kunnen niet in acht genomen worden om de grondslag te bepalen van aanslagjaren waarvoor de rechtspersoon aan de VenB is onderworpen.
Voorts dient genoteerd te worden dat indien de boekhouding van een belastbare periode waarvoor de rechtspersoon aan VenB onderworpen is, onderwaarderingen zou vertonen van activa of overwaarderingen van passiva, deze niet beschouwd worden als winst voor dit belastbaar tijdperk, voor zover zij hun oorsprong vinden in een periode waarin zij aan RPB onderworpen was.
Bij de omgekeerde overgang, van VenB naar RPB, wordt een regeling voorzien die gelijkaardig is aan de regels voor vereffening (artikels 208 tot 210 WIB).