< Back to the blog

Tijdelijke vrijstelling voor verwachte beroepsverliezen

  • 16/07/2020
  • Cédric Vanopdenbosch - Fiducial Accountancy

De wet van 23 juni 2020 houdende fiscale bepalingen ter bevordering van de liquiditeit en solvabiliteit van ondernemingen in het kader van de bestrijding van de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie introduceerde het principe van tijdelijke vrijstelling van verwachte beroepsverliezen die door de COVID-19-pandemie veroorzaakt zijn..

Principe

Het nieuwe artikel 194septies/1. § 1 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen bepaalt namelijk dat voor een boekjaar dat afgesloten wordt tussen 13 maart 2019 en 31 juli 2020, een vennootschap aanspraak kan maken op de tijdelijke vrijstelling (overdracht naar ten laatste het volgende boekjaar) van het geheel of een deel van het resultaat van het belastbare tijdperk vanwege eventuele verliezen die worden geleden in de loop van het volgende belastbare tijdperk.

Voorbeeld

Deze maatregel, die de belastingplichtige dus toelaat op de negatieve gevolgen van de COVID-19-pandemie te anticiperen, zonder dat dit de rekeningen beïnvloedt, kan als volgt worden geïllustreerd:
Een vennootschap heeft een winst van 200.000 € gemaakt voor het boekjaar eindigend op 31 december 2019 (aanslagjaar 2020). Zij is van mening dat de gevolgen van de crisis een verlies van 50.000 € zullen veroorzaken op 31 december 2020 (aanslagjaar 2021). Zij heeft dus de mogelijkheid om dit verlies ten laste te brengen van het voorgaande boekjaar (aanslagjaar 2020).

Bijgevolg:

  • De belasting voor het boekjaar eindigend op 31 december 2019 zal berekend worden op een belastbare basis van 150.000 € (200.000 € - 50.000 €).
  • Het bedrag van de belasting die eind 2020 moet betaald worden en betrekking heeft op 2019, zal verminderd zijn.
  • Indien van toepassing kan een terugbetaling van eventuele voorschotten gevraagd worden.
  • Aan het einde van het boekjaar eindigend op 31 december 2020 zal er geen over te dragen fiscaal verlies zijn aangezien dit verlies op voorhand in de aangifte is opgenomen.

Limieten

Het bedrag van de bedoelde vrijstelling mag daarentegen niet hoger zijn dan:

  • Het bedrag van het resultaat van het belastbare tijdperk, vastgesteld alsof de in dit artikel bedoelde vrijstellling niet werd gevraagd (met andere woorden, zonder rekening te houden met het verlies), en waarvan enkel de definitief belaste inkomsten en inkomsten uit innovatie worden afgetrokken.
  • 20 miljoen Euro.

Uitsluitingen

De vrijstelling is daarenboven niet van toepassing op:

  •  Vennootschappen die tijdens de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van de indiening van de aangifte verbonden met het aanslagjaar 2021, een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke vermindering of verdeling van het eigen vermogen, hebben verricht;
  • Beleggingsvennootschappen bedoeld in artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, de gereglementeerde vastgoedvennootschappen, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
  • De coöperatieve participatievennootschappen, in toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers;
  • De zeescheepvaartvennootschappen die aan inkomstenbelasting worden onderworpen met inachtneming van de artikelen 115 tot 120 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002;
  • De vennootschappen die op 18 maart 2020 konden worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden;
  • De vennootschappen die, in de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van het indienen van de aangifte die verbonden is met het aanslagjaar 2021, ofwel een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, of een Staat die is opgenomen in de lijst  in artikel 179, KB/WIB 92; ofwel betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100.000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.

Belastingaangifte en gevolgen in geval van overschatting

Een ad-hoc formulier zal bij de vennootschapsbelastingaangifte moeten gevoegd worden en de belastingplichtige zal een afzonderlijke aanslag moeten betalen indien de vrijgestelde reserve meer dan 10 % hoger is dan het werkelijk geleden verlies gedurende het lopende boekjaar.

Deel dit artikel

Aanbevolen artikels

Coronavirus: Hoe zit het met de fiscale steunmaatregelen?

  • 16/04/2020
  • Cédric Vanopdenbosch - Fiducial Accountancy

Coronavirus: welke maatregelen voor de sociale bijdragen?

  • 31/03/2020
  • Cédric Vanopdenbosch - Fiducial Accountancy

Coronavirus : Extra maatregelen voor werkgevers

  • 16/04/2020
  • Marleen Cruyts - Fiducial Social